Het leven bestaat niet uit politiek alleen.
Gelukkig maar.
Na een leven lang lezen, wil ik nu ook zelf wel eens iets schrijven.
Kan altijd van pas komen als de politiek “plotseling” stopt….
En dus heb ik mij ingeschreven voor een schrijfatelier, want je bent nooit te oud om te leren, levenslang.
Hierbij mijn eerste inzending, meer feiten dan fictie, al is het sausje wel literair.
Althans, dat was de bedoeling.
Lees smakelijk!

De balafonles

C’est pas bon. C’est pas comme ça. C’est comme ça.
De leraar pakt met beide handen mijn stokjes aan de overkant vast en probeert wanhopig te laten horen welk ritme ik moet slaan, en welk latje na welk latje komt.
Het lijkt al even eenvoudig als de klank puur is.
Zonder dat mijn armen uit het gelid marcheren, beweegt hij ze volstrekt parallel van links naar rechts over de veertien zwarte latjes.
Dóet hij ze bewegen, want ik maak me zo slap mogelijk om vanaf de met oude binnenbanden omwikkelde bolletjes, langs de houten stokjes, en tot slot mijn handen, een ritmisch geluid uit mijn armen te laten komen.
Niet uit mijn hersenen: ik mag niet tellen om in de maat te blijven, niet rekenen van welk plankje naar welk plankje ik moet springen, steeds met twee handen om het ingewikkelder te maken.
De volgende stap, enkel op het gehoor af en op basis van een o zo minimaal ritmegevoel dat toch ieder mens zou moeten hebben, zou dan vanzelf volgen.

Zo heeft Véronique, die dit alles op overschot heeft maar helaas niet met mij kan delen, voordat ik mij aan deze reis waagde en inschreef voor de les, verzekerd.
Want dit is toch het echte avontuur?
Niet de reis over stoffige pistes, niet het eten met de rechter – nooit de linker! – hand in een groezelige gebutste emailkom met tot voor kort onbekende reisgenoten met liefst onbekend te blijven kwalen en geleidelijk te ontdekken onhebbelijkheden, niet het slapen in muskietenrijke omgevingen, een harde busbank, een koude wegberm, een vochtig strand.
Maar het uitschakelen van mijn verstand.
Laat je gaan, geef je over aan je instinct.
Volg de stem van Afrika.
Die donkere, intrigerende stem van alles wat wij niet zijn, wellicht ooit waren, maar voorgoed vergeten zijn.
Heart of darkness?
Nobele wilde?
Bull shit.
Gewoon muziek en dans.
Alles wat ik niet ben, wellicht nooit was en voorgoed nooit zal worden………….. zoals mij deze eerste dag van de muziekles al duidelijk wordt.

Het lijkt wel of het mijn klasgenoten beter afgaat.

Sommigen hebben duidelijk ritmegevoel, anderen een goed gehoor en een enkeling beide.
Zelfs ík heb niet het goedkeurend knikken van onze leraar nodig om dat te horen.

Al na een halve dag aan dit zwembad, onder een ondanks het ochtendlijk uur al ondraaglijke zon, die nog feller lijkt te schijnen omdat het bassin leeg is, zijn ze in staat na het un-deux-trois van ’s leraars stokjes zijn basismelodie na te spelen met de hunne.

Ik niet.

Hoe ik ook mijn best doe, steels links en rechts kijkend hoe zij hun armen evenwijdig verplaatsen, af en toe geheel onverwachts – voor mij althans – onderbroken door een afwijkend hupje met de rechter hand om een melodische lijn boven het strakke ritme van de linker te laten zweven.

Als een telganger in de militaire kolonne komt mijn hupje altijd te laat of te vroeg.

In de kakofonie van zes uitheemse zwoegers valt het niet al te veel op.

Mijn leraar hoort en ziet het wel, en blijft proberen met zijn methode in drie tijden: C’est pas bon. C’est pas comme ça. C’est comme ça.

Ik reageer hierop gelijk vroeger in de gymnastiekles: iedereen is al halverwege het koord, en de beste is al weer op de terugweg als ik nog onderaan sta te springen, om onmiddellijk weer met beide voeten op de houten vloer terug te vallen.

Bezweet van angst en schaamte.

Verkrampt tot in al mijn spieren.

Hoe meer ik word aangemoedigd dat ik het kan, hoe minder ik het kan.

En wil.

Als Stefan een uur later bij het zwembad aankomt, zoals altijd zwetend en met camera, fototoestel en audiorecorder behangen, bied ik hem galant mijn stoel en balafon aan.

“Wil je ook even proberen? Ik kijk wel toe”.

Tot mijn verrassing en vreugde pakt hij, djembéleerling met aangeboren of aangeleerd ritmegevoel, het onmiddellijk op.

Ik ben dus echt wel de kneus van de klas.

Stefan wil zijn plaats weer aan mij afstaan om alles, beeld en geluid, vast te leggen, zoals hij de hele reis lang zal doen.

“Nee, blijf maar zitten. Ik ga even iets drinken”.

In de bar van het hotel word ik door Youssou betrapt: tout va bien?

Nee, het gaat niet, zegt mijn gezicht dwars tegen mijn mond in.

Dan toch maar toegeven: Non, ce n’est pas mon truc.

We zijn nog maar een paar dagen met elkaar op pad en hij overschat evenzeer mijn vermogen om te doen waar ik geen zin in heb, als ik zijn vermogen onderschat om recht te praten wat krom is, krom zal blijven en steeds krommer wordt.

Youssou pakt amicaal mijn hand vast terwijl hij op mij inpraat dat hij dit gaat oplossen en dat ik begrip moet hebben, want dit is toch Afrika, la vraie aventure, tu sais.

Onze leider gaat naast de leraar staan, en spreekt hem lang toe in het Malinké.

Deze knikt, terwijl hij onder zijn wijde blauwe boernoes bedachtzaam, of juist gedachteloos, aan zijn edele delen – waarmee hij elke avond tevergeefs zal leuren langs de hutten van de alleenstaande vrouwelijke deelnemers – krabt.

Dan spreekt Youssou, ons met een paar klappen in zijn grote djembéhanden tot stilte manend, plechtig toe.

De balafons zwijgen.

We moeten begrijpen dat deze hoog begaafde musicus, die zijn beheersing van de balafon van zijn vader heeft gekregen, die ze weer van zijn vader heeft gekregen – nooit van moeders, want de balafon wordt te nobel en te moeilijk geacht om door een vrouw bespeeld te worden – moeite heeft om zich in ons te verplaatsen.

Nog nooit heeft hij les gegeven aan blanken of volwassenen, en zeker niet aan volwassen blanken.

Nee, we moeten goed begrijpen dat wij eigenlijk betaald hebben om deze leraar, en alle anderen die ons deze drie weken zullen onderwijzen in zang, dans en slagwerk, les te geven, zodat zij begrijpen hoe wij functioneren, denken, muziek leren spelen…..

Of juist niet, denk ik, maar Youssou is elk cynisme vreemd.
Wij zijn de proefkonijnen opdat de volgende muziekstages die hij wil organiseren beter verlopen.

En daar is hij ons immens dankbaar voor! En voor de leraar is het ook een hele eer om aan ons les te geven op dit nobele instrument.

Wij zijn Youssou’s vrienden en hij rekent op ons begrip en geduld.

Herinneren we ons nog het begin van de reis, de nachtelijke ontvangst in Nyagassola, het dorp waar de heilige oerbalafon, de Sosso Bala, wordt bewaard?

De volgende dag, de ceremonie met de jagers die de Sosso Bala bewaken, en dan eindelijk de paar minuten die we in kleine groepjes mochten doorbrengen in de hut van de Sosso, UNESCO-erfgoed?

De vragen die we aan de grote sossowachter, de balatigi mochten stellen?

Onze offers – geld, omdat het rund waarvoor we al betaald hadden reeds geslacht en opgegeten was doordat we veel te laat kwamen na de zoveelste panne, maar dat hoorden we pas toen we al weer in die rotbus zaten – en onze tranen, omdat wij de Sosso Bala mochten zien?
Zelfs presidenten van de republiek waren misleid met valse sosso’s.
Wij niet, want wij zijn de gasten, nee vrienden, van een echte griot, onze Youssou!

Wie is het nu al vergeten, de ochtend van ons vertrek, het overdonderend concert op een hele rij balafons naast elkaar opgesteld, door de balatigi met zijn leerlingen gehurkt erachter, perfect evenwijdig de armen verplaatsend en een klank als van een Indonesisch gamelanorkest voortbrengend?

Niet op de Sosso Bala, want de oerbalafon wordt zelden bespeeld.

Deels vanwege de ouderdom, deels uit respect, deels vanwege niet-geschikt publiek.
Maar als ze bespeeld wordt op een andere plaats dan in Nyagassola reist ze alleen ’s nachts op de rug van de jagers, van dorp tot dorp en weer terug.

Nooit mogen haar poten in het stof rusten, altijd moet ze in beweging zijn, honderden kilometers lang desnoods.

Is de balafon dus niet een van de nobelste Afrikaanse instrumenten?

Het is niet voor niets dat het woord instrument plus klank betekent, klankinstrument dus, want het geluid van dit instrument is pure klank.

En hebben wij niet het geluk hier te leren hoe wij die zuivere klanken kunnen toveren uit veertien latjes, onder leiding van een groot musicus?

Zouden we het hem dan niet vergeven dat hij misschien geen goede leraar is naar onze normen?

Ook hij, Youssou, heeft eerst in Europa moeten leren hoe hij zijn kunst kan overdragen op ons soort mensen.
En nu wil hij dat zijn broers, ooms, neven, zussen, nichten en tantes die allemaal meewerken aan deze muziekstage dat ook leren.

Van ons, in de weken dat we hier zijn.

Laten we dus geduldig zijn en als ware broeders en zusters van elkaar leren.

Het zakkrabbend muzikaal genie heeft deze speech roerloos aangehoord.

Misschien is zijn kennis van het Frans onvoldoende, of denkt hij er gewoon het zijne van?

De les wordt hervat met het al bijna vertrouwd klinkende un-deux-trois, gevolgd door het ritmisch zwaaien met de armen in de ruime mouwen van de boernoes en de verstoorde blikken in de richting van de foute ritmes en valse noten, in mijn richting dus.

De anderen lijken goed te volgen.
Dan komt Mamadou, een van de vele jongere broers van Youssou, die geschiedenis heeft gestudeerd maar zoals de meeste universitairen in Guinée geen werk kan vinden.

Youssou heeft hem dan maar tot directeur van de Afrikaanse tak van zijn Europese school gebombardeerd.

Ook hij is een begenadigd muzikant, hoe kan het ook anders?

Onder andere op de balafon.

En een zachte, geduldige jongen.

Net als de grote leraar eerder die dag hurkt hij tegenover mij neer, aan de andere kant van het heilig klankbord, en pakt hij de stokjes beet.

Hij laat ze echter niet als pianohamertjes neerploffen op de plankjes maar geeft enkel met zachte dwang aan hoe ik ze moet bewegen.

Dan legt hij uit dat het zoveelste plankje van links de Do is, het startpunt.

Met zijn lange nagels tikt hij zachtjes op de latjes om de melodie vanaf het basislatje aan te geven.

Et maintenant à toi.

Het klinkt heel anders dan C’est pas bon. C’est pas comme ça. C’est comme ça.

En toch is het resultaat hetzelfde, ook al geloof ik even dat ik het aanvoel en dat, mits ik me maar concentreer op het ritme en een denkbeeldig inwendig oor openstel voor de melodie, zonder de anderen slaafs te volgen, het ook mij na een week moet lukken Afrikaanse klanken, waarvoor ik heb geaccepteerd mijn vrouw op haar muzikale reis te vergezellen, te produceren.

Deze illusie hou ik nog een uurtje in stand totdat de leraar vindt dat het genoeg is geweest voor vandaag.

Ieder mag een balafon meenemen naar zijn hut om te oefenen en morgen zien we elkaar weer.

De volgende ochtend doe ik nog een dappere poging aan het lege zwembad, waarin kleine jongetjes voetballen, wachtend tot de leraar ze uitnodigt om ons te tonen hoe gemakkelijk balafon spelen wel niet is.

Het aantal balafons is gelukkig te klein voor de groep, zodat ik al snel opnieuw mijn plaats kan afstaan aan fotograaf Stefan.

Nu voorgoed.

Tijdens het slotconcert op de laatste avond, het grote festival met lokale groepen, kijk ik met enige jaloezie naar de overgebleven klasgenoten die onder leiding van de grote leraar een korte vertoning ten beste geven.

Voor het eerst zie ik Guineërs stilzwijgend en vol bewondering toekijken terwijl wij iets van hun cultuur trachten te reproduceren.

In alle dorpen die we aandeden met onze aftandse gele School Bus werd uitbundig gelachen om onze stijve danskunstjes.

Dat het bespelen van de balafon, een nobel instrument, hoog in aanzien staat, wordt hier duidelijk.
Het klinkt, en het klinkt zelfs goed, vooral dankzij de leraar die je boven alles uit hoort.

Mijn ex-kompanen slagen erin hem goed te volgen en een stormachtig applaus is hun deel.

Had ik maar volgehouden?

In plaats van “Afrika doen” zonder te hebben gezongen, gedanst, gedjembéd en gebalafond!

Witte en zwarte toetsen, zo en zo veel per octaaf.
Zes snaren, fretten voor vakjes.

Kruisen en mollen, een notenbalk.

Dat kan ik aan.
Hier ben ik te blank voor.

Advertenties