rik

Om een lang verhaal kort te maken, ik heb veel gelezen in de kerstvakantie.

Een beetje politiek, maar vooral literatuur.

Drie romans, of waren het twee romans en een reisverhaal?

En welk was het reisverhaal?

Trouwens, is niet elke goede literatuur reislectuur omdat ze aanknopings- en herkenningspunten biedt voor onze eigen levensreis?

 

Ik begon met de dikke pil van Ilja Leonard Pfeiffer uit 2013: La Superba.

Zijn liefdesverklaring aan de stad Genua, waar hij beland is na zijn krankzinnige fietstocht op een krakkemikkige Batavus die hij zo mooi heeft beschreven in “De filosofie van de heuvel” (2009).

Ik was ook in Genua beland via de fiets, want aangetrokken door het barokke proza, de humor en de figuur van Pfeiffer in dat filosofisch reisverhaal, had ik het bekroonde boek La Superba gekocht.

En het moet gezegd worden: Pfeiffer overdonderde mij alweer, maar trop is te veel, en dus verveelde hij mij uiteindelijk met zijn overdaad, zijn soms flauwe grappen, en zijn egocentrisme.

Niet Pfeiffer, de hoofdpersoon natuurlijk, want het is fictie.
Ja toch?

De linken naar het actuele migratiethema zijn interessant: Ilja (ja, zo heet hij echt in de roman, maar het is toch fictie….) is uit Nederland “gevlucht”, goed beseffend dat zijn vlucht een heel andere is dan die van de Marokkaanse rozenverkoper.

Beiden blijven vreemden in Genua, hoe goed Leonard (ja, zo heet hij ook, maar het blijft toch fictie….) ook zijn best doet om te integreren, onder meer met de taal als vehikel.

Zie hier mijn eerste “dat ken ik”-moment.

 

Mogen we dit egodocument een roman noemen met als grondplan de geest van een – in zijn eigen ogen – groot schrijver (eigenlijk de aanzet tot een roman, want zo presenteert de auteur zijn wederwaardigheden in brieven aan een vriend die in het Vaderland woont, al zegt hij onmiddellijk dat hij dit allemaal natuurlijk niet zo cru zou kunnen opschrijven en dat die roman dus nooit zal worden geschreven, en dus is La Superba deels de roman van de roman die nooit zal worden geschreven……. waarmee ze dus geschreven is; stoort deze lange tussenzin met een er te dik opgelegde paradox u, beste vriend? wel, lees La Superba dan niet want het boek staat er net zo bol van als ’s schrijvers dikke buik!) en niet een reisverhaal door de steegjes en krochten van het oude Genua, dan is “Salam Europa!” van Kader Abdolah een reisverhaal dat als een roman leest, of althans wil worden gelezen.

Of is het toch eerder een essay?

De Iraanse schrijver volgt trouw de fictieve reis door Europa van de sjah van Perzië rond 1880.

In korte zinnen, met weinig franje.

Lees maar, er staat wat er staat.

De anti-Pfeiffer dus.
De interessantste passages vond ik die waarin hij heen en weer pendelt van toen naar nu.

In dat NU is de schrijver een gewezen Iraanse vluchteling die oriëntalistiek doceert aan de Universiteit van Amsterdam.

De afstand tussen docent Sjeed Djamal en schrijver Kader Abdolah (evenmin zijn echte naam) is waarschijnlijk groter dan die tussen Pfeiffer-schrijver en Pfeiffer-personage, zodat we, ook al gebeurt er weinig, eerder van een roman dan van een reisverhaal kunnen spreken.
Zelfs al liggen de literaire pretenties er door het droge taalgebruik niet zo dik op als bij Pfeiffer, de ontwikkeling die de sjah doormaakt in de confrontatie met Europa en de Europeanen (meestal in hogere kringen) rechtvaardigen wel degelijk het etiket “roman”.

Zoals een recensent boven zijn boekbespreking zette: “Er is een ander, dus ik besta”.

(“Ik besta, dus er is geen ander”, zou een goede samenvatting zijn van Pfeiffers egodocument).

 

Ook het spel tussen schrijver en beschrevene, en de tussenkomsten van de schrijver in zijn verhaal, waarmee hij het soms uitdrukkelijk naar zijn hand probeert te zetten, zijn literair qua procedé.

De uitstapjes naar de actualiteit (zeer vers want het boek dateert van 2016), en ook hier weer de vluchtelingenproblematiek, liggen er nooit te dik op, en dat maakt ze juist zo efficiënt.

Pfeiffer pakte mij evenwel meer met zijn virtuositeit dan Abdolah met zijn terughoudendheid.

Nee, hij pakte mij IN.

Een groot schrijver of een groot verleider?
By the way: Abdolah kwam in 1988 naar Nederland, ik “vluchtte” 1 jaar eerder naar België, alwaar ik hem vele jaren later in de Etterbeekse bibliotheek hoorde spreken voor een gemengd publiek van in Brussel ingeweken Vlamingen en naar Vlaanderen uitgeweken Iraniërs.

 

Het derde luik van mijn vakantielectuur dat ik hier summier wil bespreken, is van een heel andere orde, niet in de laatste plaats doordat het al dateert van 1949.

En van een ander kaliber.

Het betreft een roman die is opgedragen aan het Nederlandse echtpaar Jan en Aty Greshoff, “de verre goede vrienden” van de schrijver, die tot 1939 in Brussel woonden.

Terzijde, voor de liefhebbers van literaire weetjes: de van oorsprong Franstalige Angèle Manteau, later bekend geworden van de (in Etterbeek gevestigde) gelijknamige uitgeverij, was in de jaren ’30 in contact gekomen met het Nederlands doordat ze als kindermeisje bij de Greshoffs aan de Reyerslaan woonde.

Waar ze overigens Frans moest spreken met de kinderen Greshoff.

Daar moet ze ook de uit Friesland (resp. Harlingen en Leeuwarden) afkomstige schrijvers Vestdijk en Slauerhoff hebben ontmoet.

Met wie ze wel Nederlands sprak en het zo geleidelijk aan leerde.

 

Duizelt het u nu al beste lezer, dan moet u zeker niet de Duizend-en-Een-Verhalen (of “hekajats”) van Kader Abdolah lezen, want die rijgt de beroemde namen en onbekende toevalligheden aaneen!

En dan weet u nog niet eens wie het boek geschreven heeft en hoe het heet…..

Marnix Gijsen: De man van overmorgen.
Ik redde het ooit van de verramsjing of vernietiging uit de Etterbeekse bibliotheek waar het was terechtgekomen nadat de hele BRT-collectie daarheen was verhuisd.

Van de Reyerslaan, juist ja!

Zowel de titel als de kaft (zie foto) hadden mijn oog getrokken, meer dan de mij niet onbekende Antwerpse schrijver, Goris van zijn eigen naam.

Die overigens een aantal jaren van zijn Brussels leven sleet in een appartement in een van de modernistische Eggericx-torens aan het De Meeûssquare, op een steenworp van het Orbansquare waar ik mijn vertalerscarrière begon in 1987.

Wist u overigens dat Eggericx in Etterbeek een kinderkliniek heeft gebouwd in de Antoine Gautierstraat?

In 1944 kreeg ze de nieuwe naam War Memorial en in 1988 werd ze gesloten, 2 jaar voordat ik tegenover de War Memorial kwam wonen………

Dat wist u niet.

Dat is niet meer dan normaal, want ik heb het ook net ontdekt, al schrijvende.

 

Wel, het is dus deze roman, om geheel extra-literaire redenen “aangeschaft”, die ik in één dag heb verslonden.

Eveneens om extra-literaire redenen.

Het proza van de heer Goris, schrijversnaam Gijsen, is gedateerd en leest niet meer zo vlot, voor zover het dat ooit heeft gedaan.

Het is o.a. over Gijsen dat Jeroen Brouwers (ooit werkzaam bij Manteau en in die hoedanigheid woonachtig in Etterbeek) zich vrolijk maakt in een aantal essays, verzameld in “Vlaamse Leeuwen” (1994), waarin hij stelt dat veel Vlaamse schrijvers door hun Nederlandse uitgevers “verhollandst” zijn om een groter publiek dan het Vlaamse te kunnen bekoren.

En dat het juist dergelijke “correcties” zijn die het levenssap uit hun schrijfsels hebben geperst.

Het bekendste boek van Gijsen, “Joachim van Babylon”, brandmerkt hij als “een boek dat overigens zorgzaam van eelt en andere uitwassen werd ontdaan door bovenmoerdijker Jan Greshoff”, hetgeen de opdracht in mijn boek in een fel licht stelt.

Nog een objectieve beoordeling van mede-bovenmoerdijker Brouwers?

“Het ‘Nederlands’ van bij voorbeeld Marnix Gijsen is zodanig affreus, zodanig verwrongen, zodanig een knoedel van de ijselijkste barbarismen, dat het onleesbaar is omdat het nog ternauwernood begrijpbaar is”.

Verwondert het dat Baron Gijsen dergelijke kritiek pareerde met de woorden “schoft” en “leugenaar”?

De snelheid waarmee ik het boek van bijna 200 bladzijden uitlas, had niets met de kwaliteit, of het ontbreken ervan, te maken, maar alles met het onderwerp: the rise and fall of a wethouder.

A what?

A wethouder.
Als beauty in the eye of the beholder is, dan kunnen wij bij dit woord de ogen niet droog houden.

 

Het boek beschrijft de ondergang van een Antwerpse (haven)schepen die door de Haagse uitgever Stols (voor België in 1932 overgenomen door – encore elle – Angèle Manteau) “verhollandst” is tot een wethouder, hetgeen in de typisch Antwerpse context natuurlijk belachelijk klinkt.
Op één plaats is het correctorsoog lui of blind geweest, daar waar onze wethouder “achter de schepenbank” plaats neemt, terwijl zijn vroegere boezemvriend en thans erfvijand (u ziet het, de roman heeft “diepgang”) Segers “recht stond om het college te ondervragen”.

Een scherper Hollands oog met meer kennis van de schone “Vlaamse taal” had Segers doen opstaan om het woord te nemen.

Recht staan is iets anders in Nederland, maar ik betwijfel of de oerkatholiek Goris/Gijsen dat wist eind jaren 40 van de vorige eeuw.

 

Moet ik in Nederland altijd uitleggen hoe een Friese vertaler in de Belgische politiek verzeild is geraakt als schepen en dat een schepen een wethouder is, dan zou het boek van Gijsen een vette voetnoot verdienen om op te helderen hoe een Hollandse wethouder gestrand kan zijn op een Antwerpse schepenbank.

Een roman annex reisverhaal op zich!

 

Omdat de schrijver zijn boek zeker niet komisch heeft bedoeld, zou ik enkele citaten kunnen aanhalen waaruit blijkt dat ik het serieus heb gelezen, en al lezend mij genoeglijk ben gaan schurken aan herkenningspunten, die in mijn – zoals alle politici – naar waardering hakend ego zijn gaan oplichten als erkenningspunten.

Liever parafraseer ik echter de titel, met 2 passages als waarschuwing aan “de man van overmorgen” die, want zo gaat het nu eenmaal in de (dorps)politiek, al snel “de man van eergisteren” kan zijn.

“Toen ik aldus flink in den zadel zat, voldoening vond in mijn werk en door mijn welsprekendheid, mijn vlijtigen arbeid en ook dank zij gunstige omstandigheden, een verrassend succes oogstte, is mijn geluk plots bedreigd geworden en mijn teneergang begonnen”.
“Toen ik trachtte te verhinderen dat ons stadspark, een plek van idyllische rust te midden van een drukke winkelwijk, zou bedorven worden door het installeeren van wat een luidruchtige drankgelegenheid voor volksmensen zou worden, werd ik verslagen”.

Voor wie het Etterbeekse Happark kent en “mijn” plannen voor “een luidruchtige drankgelegenheid voor volksmensen” in die plek van idyllische rust, hoeft enkel “verhinderen” door “bevorderen” te vervangen en “bedorven worden” door “openbloeien”…………

 

En tot slot, in tegenstelling tot de 2 andere boeken is het immigratiethema hier nog niet binnengeslopen.

Of toch een klein beetje waar de wethouder/schepen over de gemeenteraad spreekt: “Wat mij ook van in den beginne trof in deze vergadering van een veertigtal menschen, was het feit dat zij haast zonder uitzondering buiten de stad waren geboren. Het leek wel of onze stadsgenoten, in hun zucht naar geld en vermaak, vrijwillig het beheer hadden overgelaten aan de nieuwkomers die zij als vreemden beschouwden”.

De vreemden in deze Antwerpse context zijn geen Hollanders en erger, maar Vlamingen van elders.

The times they are a changing, mister Dylan?

 

U ziet, ik heb veel gelezen in de kerstvakantie.
Om een kort verhaal lang te maken…………

Advertenties