Het is niet de eerste keer dat ik een minuut stilte in acht neem.

In een groep, hetgeen de stilte nog compacter, drukkender, maakt.

Toch lijkt elke minuut langer, terwijl ik ervan overtuigd ben dat één volledige minuut zo traag verloopt dat de officiële gedenkminuten zelden een volledige minuut in beslag nemen.
Ik herinner mij de minuut stilte tijdens de dodenherdenking in Nederland.

In mijn jeugdjaren in Leeuwarden stopten auto’s midden op straat, en namen heren naast hun statig rijwiel de hoed af.

Wie zich niet aan die codes hield, werd gebanbliksemd.

Door de goegemeente en vooral door mijn moeder.

 

In het hedendaagse Leeuwarden zal ook dat nu wel anders zijn.

In mijn Brussel komen er steeds meer minuten stilte bij.

Ze tikken niet weg, maar aan.

Stiltes in de Gemeenteraad, stiltes bij de Raad van Ministers van de EU.

Afgezien van 11 november om 11 uur stipt, vallen die rituele stiltes niet op vaste dagen ter herdenking van een verleden dat een natie mede vorm gaf.
Wel op “losse” (ja, zeker “van God los”) dagen na een onvoorziene dramatische  gebeurtenis.
Als ze zich ver van ons bed heeft voorgedaan, is de stilte, hoe solidair ook, voornamelijk symbolisch.

Met de globalisering wordt “ver weg” evenwel relatief, en komen New York, Madrid, Parijs, steeds dichter bij.

Tot zij samenvallen met en in Brussel.

Op 22 maart is dat letterlijk gebeurd.

 

De stilte van vandaag 23 maart, in het Atrium van het Justus Lipsiusgebouw, 1 dag na de hel van 22 maart, klinkt nog oorverdovender stiller dan al die andere stiltes.

Is nog langer dan alle ooit wegtikkende seconden, minuten, uren………

Want dichterbij.

 

Toen ik op 22 maart het raam van mijn EU-kantoor op de elfde verdieping opende, juist nadat ik had vernomen dat er op een honderdtal meters van daar in het metrostation Maalbeek een bom was ontploft, drong de brandgeur tot me door.

Onder in de Wetstraat begonnen de eerste hulpdiensten zich met moeite een weg te banen door de hel van de klassieke ochtendfile.

Verderop, in de Etterbeekse steenweg, zag ik de eerste slachtoffers uit de metro-uitgangen komen.
Brancardiers reden in een ogenschijnlijke chaos af en aan

Politie renden schreeuwend door de straten.

Geleidelijk viel het verkeer geheel stil.

Geen vliegtuigen in de lucht ten gevolge van die andere verschrikkelijke aanslag, op Zaventem.

Vreemd genoeg werd het steeds stiller, en hoorde je uiteindelijk alleen nog maar de sirenes loeien.

Achtergrondgeluid van het dagelijks verkeer dat nu de boventoon voerde, en alle andere geluiden wegdrukte.
Een gevoel van abnormaliteit dat nog versterkt werd door het feit dat wij uit onze bureaus moesten wegens potentieel gevaar (ontploffingen, glasscherven…), en iedereen zich verzamelde in de gangen.

Zittend op de grond, leunend tegen de muren.

Velen met jassen aan, tassen bij de hand, alhoewel duidelijk gezegd was dat we niet zouden worden geëvacueerd maar voor onze veiligheid juist binnen moesten blijven.

Ondanks de nabijheid van het drama sloeg de sfeer geleidelijk om in een vreemde joligheid, een schoolreisjesgevoel dat wel vaker ontstaat als veel mensen onverwacht op een ongebruikelijke plaats samen moeten zijn.

Vooral mijn Deense collega’s, meestal een uiterst serieus volkje, hadden veel onverstaanbare pret.

Toch zag ik ook collega’s met bedrukte gezichten op de grond zitten, druk telefonerend.

 

Pas om 16:00 mochten we in groepjes van een man of 15 naar buiten, te voet naar het Jubelpark.

Van daaruit was het ieder voor zich: zie maar dat je thuis komt.

Voor mij was dat slechts op 10 minuutjes wandelen.

Door de Jonniauxstraat waar Robin en Ludo zijn geboren op nummer 30.

Beiden hadden ze me de ochtend van de 22e gemaild, gebeld en geWhatsAppt vanuit Brazilië.

Pas toen ik ze vertelde dat hun moeder en ik beiden veilig waren, werd ik emotioneel.
Wat tientallen anonieme doden en honderden gewonden niet vermogen, kunnen je naasten, wel: beseffen dat je leeft, dat je van mensen houdt en dat mensen van jou houden.

Zeker als ze ver weg zijn en je ze zo na voelt.

 

Dat gevoel van de nabijheid van de terreur, erger nog, van de “dichterbijheid”,  verwoordde ik ook in mijn reactie aan de Leeuwarder Courant.

Stond in december boven hun artikel nog mijn quote “Naar Molenbeek als statement”, nu luidde het –  niet erg origineel maar ik had het echt zo geschreven in mijn mail – “Ceci n’est pas un printemps“.

 

Vrienden uit Nederland constateerden verheugd dat na Molenbeek en Maalbeek mijn “beek”, de etterende, nog altijd gespaard was gebleven: “Etterbeek is de enige beek in Brussel waar geen relatie wordt gelegd met IS terrorisme. Gelukkig maar.”

 

Bij de commentaren op de Franse televisie ergerde ik mij voor een keer niet aan het fout gebekte “Malbek” en “Molenbek”, (korte e, zoals in “back to the future”), maar dacht ik: wanneer “Etterbek”?

 

Ondanks alles bleef ik een vertaler.
Zodat ik een dag later al weer kon overgaan tot de wan- en waanorde van de dag: “gewoon” gaan werken, de kranten lezen, én mij gelukkig kunnen ergeren aan de krant “Libération” die erin slaagt in één en hetzelfde artikel vier (4) verschillende spellingen voor Maalbeek te hanteren: twee correcte, al naar gelang de taal, Maalbeek en Maelbeek, twee foute, Malbeek en Maelbeck.

Natuurlijk, het is te zot voor woorden dat ik daarover val.

 

Meer inhoudelijk, een citaat uit hun Editoral “Chagrin”: “Bruxelles, l’antifanatique attaquée par les fanatiques, mais qui résistera, debout.”

Wij blijven recht overheid, als een Eiffeltoren in zwart-geel-rood.

Al is vrees voor de sluipende dichterbijheid gerechtvaardigd.

 

Het is erger dan je denkt, en als je denkt, is het nog erger.

(Bert Schierbeek).

 

Wie neemt ooit nog gedachteloos de metro, stapt gedachteloos op het vliegtuig?

Achteloosheid ligt achter ons, naast Gedachteloosheid.

Onder de brokstukken en verhakkelde ledematen van Zaventem en Maalbeek.

We zijn niet machteloos, hoogstens sprakeloos

La vie reprendra ses droits !

Mais quelle vie ?

 

Lees ook dit: “Koning en koningin komen te laat voor de minuut stilte

 

Advertenties