Francis Bacon

Francis Bacon – Study after Velázquez’s Portrait of Pope Innocent X

Terwijl de paus zichzelf tot “tête de Turc” heeft gekroond met zijn erkenning van de Armeense genocide van 100 jaar geleden [nieuwsblad.be] en Etterbeek zich, op initiatief van kersvers schepen Aziz Es, opmaakt om de, veel minder bekende, Assyrische genocide in diezelfde periode te herdenken ga ik iets minder ver terug in de tijd, naar 25 maart van dit jaar.

Toen werd namelijk in het Brusselse Beurskafee de tweede Speech Battle gehouden, met als inzet: wie schrijft de beste pausspeech?

Volgens de jury moet een overtuigende speech onder meer bij het publiek passen en een duidelijke boodschap hebben. [deburen.eu]

Aan die twee criteria beantwoordt de speech van de paus in aanwezigheid van de Armeense patriarch en de Armeense president probleemloos!

Mogen we vanaf nu een achtste criterium toevoegen, dat de toespraak geen “lettre morte” blijft maar ook effecten teweegbrengt buiten de ruimte waarin de woorden weerklinken?

Mijn inzending kon echter de toets der kritiek niet weerstaan en werd niet “weerhouden”.
Hetgeen mij er niet van weerhoudt ze hier in extenso weer te geven.

Al was het alleen maar vanwege de laatste paragraaf, over het voormalige Panorama van Caïro in het Jubelpark, waarin nu de Grote Moskee is gevestigd.

Want eigenlijk wilde ik gewoon dat stukje Brusselse geschiedenis kwijt.

Wellicht nog een toe te voegen criterium: een speech mag niet te persoonlijk worden, anders is het “literatuur”?

Soit.

Ik heb me goed vermaakt met schrijven, schrappen, schaven, ter compensatie van het gemis van mijn jaarlijkse nieuwjaarsspeech als Groen-voorzitter.

“As Salaam Aleikum.

Het is voor mij een grote eer dat u mij hebt uitgenodigd om uw gebedshuis in te huldigen.

En het verheugt mij zeer dat hier ook een vertegenwoordiger is van die andere monotheïstische godsdienst: de Joodse.

Ik wil vanavond  spreken over geloof. ONS geloof.

En over god. ONZE god, jaweh, allah.

Allah.

Allah ou akbar.
Hoe dikwijls wordt deze loftuiting de laatste tijd op trieste wijze misbruikt door lieden die niet alleen vinden dat hun god groter is dan de andere goden, maar tevens dat zij daar het recht aan mogen ontlenen het leven te nemen van de aanhangers van een mindere god, geen god dus!

Dit geheel in tegenspraak met een van de 99 namen van Allah: As-Salaam, god is vrede!

En strijdig met het taalkundige feit dat “Allah ou akbar” betekent “God is groot”of, zo men wil, met een absolute superlatief: “God is de grootste” in die zin dat hij overal , altijd, absoluut is, en dat niets aan hem gelijk is.

Allah u akbar, zonder voorbehoud.

Voor u is dit een zekerheid.
Zo kent uw geloof meerdere zekerheden.
Want verplichtingen.
Vijf, om precies te zijn: de geloofsbelijdenis, het gebed, de aalmoes, het vasten en de bedevaart.

Zoals de tien geboden van God voor joden en christenen zijn dit de pijlers van uw geloof, gelijk de zuilen die het dak van deze moskee dragen.

Geloof staat of valt met zekerheden.

En toch zijn wij het aan ons zelf verplicht  vragen te stellen.

Niet om deze pijlers onderuit te halen, maar om ze in deze verwarrende tijden op hun schokbestendigheid te testen.
Ik zal mij beperken tot vijf zowel louter religieuze als eerder seculiere vragen.

  1. Hoe uniek is ons geloof?
  2. Hoe zien wij ons ten opzichte van zij die niet geloven?
  3. Hoe ernstig moeten wij ons geloof nemen?
  4. Hoe geloven wij in den vreemde?
  5. Hoeveel pracht en praal hebben wij nodig om ons geloof te belijden?

Op de eerste vraag heb ik in mijn inleiding reeds impliciet geantwoord door een is-gelijk-teken te plaatsen tussen onze respectieve goden, als u mij dit, voor de hoogste vertegenwoordiger hier op aarde van een monotheïstische godsdienst  paradoxale, meervoud toestaat.
Adam, Eva, Noah, Mozes, Abraham, Salomon, Jozef ,…. alhoewel verschillend uitgesproken, ze komen ons allen bekend voor als familieleden.
Ook qua inhoud zijn er verschillen én overeenkomsten tussen onze geloven.

De grootste overeenkomst is dat wij geloven in één enkele universele god.

En dat dit van ons de overtuiging vraagt dat er geen andere is die het adjectief “goddelijk” verdient.

Vervolgens mijn tweede vraag: hoe zien wij diegenen die niet geloven?

Voor u “kafir” of ”koufr”, voor ons  “ketters”.

Alhoewel ketter van kathaar komt, en dus van het Griekse woord voor “rein”, hebben wij christenen ze ooit als onreine wezens bestreden.

Te vuur en te zwaard!

Ik kan niet genoeg benadrukken dat wij in onze wereldvisie ook plaats moeten inruimen voor ketters en kafirs.

En dat ons enig wapen om hen te overtuigen – en te bekeren indien wij én zij dat willen – het Woord is.

Zo kom ik op mijn derde vraag, vandaag de dag helaas brandend actueel.

Hoe ernstig moeten wij ons geloof nemen, en vooral diegenen die ons geloof, onze goden, onze profeten niet ernstig nemen?
Men wil ons doen geloven dat met het antwoord op deze vraag de scheidslijn kan worden getrokken tussen gematigde en fanatieke gelovigen.

Of moet ik zeggen: tussen moslims, christenen en joden met en moslims, christenen en joden zonder gevoel voor “humor”?

U hoort ongetwijfeld de aanhalingstekens die ik rond het woord “humor” plaats: in tegenstelling tot ons geloof, dat niet onderhevig kan zijn aan de waan van de dag, is humor betwistbaar want een product van mensen.

Mensen met goede en mensen met slechte smaak, ongewild of doelbewust.

Humor is voor mij een belangrijk middel om een boodschap over te brengen, en toch: Je ne suis pas Charlie.

Mijn geloof en dat van anderen neem ik zeer ernstig.

Ja zelfs de ongelovigen wil ik niet kwetsen in hun ongeloof.
Wie “De Naam van de Roos” van Umberto Eco heeft gelezen, weet waartoe het verbieden van de lach, omdat zij “een haard van twijfel” zou zijn, kan leiden: tot het afbranden van een bibliotheek van onschatbare waarde.

Fictie?

Geenszins: zogenaamde jihadisten staken nog niet zo lang geleden een door de Unesco erkende bibliotheek in het Malinese Timboektoe in brand.

Wie begint met manuscripten eindigt met mensen.

De enige vlammen waaraan wij ons mogen warmen,  zijn die van ons geloof.

Onze relatie met “de ander” brengt mij bij mijn vierde vraag.

Zoals u weet ben ik in Rome na al die jaren nog altijd te gast: Italië is niet mijn geboorteland en het Italiaans is niet mijn moedertaal.

Hetgeen mij er niet van weerhoudt mij daar thuis te voelen.

Velen van u hier aanwezig in dit schitterende nieuwe gebouw hebben ooit lichtere luchten en hogere horizonten gekend dan de Belgische die Jacques Brel zo melancholisch bezingt.

Zoals veel Italianen zijn zij destijds naar hier gekomen om een beter bestaan op te bouwen voor hun kinderen en kleinkinderen.

Men beweert wel eens dat hun integratie geen problemen opleverde omdat de Italianen katholiek zijn, zoals de meeste Belgen.

We mogen echter niet vergeten dat de Italianen pas na de mijnramp van Marcinelle in 1956 als burgers werden erkend en zelfs tot ereburgers van dit land werden uitgeroepen.

Als de duisternis van de mijngangen iets heeft opgeleverd, dan is het gelukkig dat besef  van hun onschatbare bijdrage aan het gastland.

Het is juist in deze barre tijden waarin een aantal fundamentele waarden die de westerse maatschappij stutten, vervaarlijk kraken, dat zij die altijd al hier waren en zij die sinds kort hier zijn, ongeacht hun geloof of overtuiging, zich met een gedeeld lot moeten verzoenen.

Deo volente zijn er geen drama’s nodig om tot deze catharsis te komen.

En tot slot de reden waarom wij hier vandaag verzameld zijn: de inhuldiging van dit schitterende gebouw, uw nieuwe moskee.
Wij die geloven in de grootsheid en de schoonheid van onze god, moeten wij dit geloof ook per definitie belijden in een groots en schoon bouwwerk, bekroond met torens en minaretten?

Niet noodzakelijkerwijs.

Uw tweede zuil, die van de “salat” of het gebed, kan overal en nergens staan.
De moskee of “masjid” is hoogstens de plaats van de “sajda”, het moment in het gebed waarbij het hoofd de grond raakt.

De ganse aarde is voor de moslim een masjid.

De eerste masjid in Medina, de masjid al-nabi, was een grote open plaats in het huis van uw profeet.

De eerste christenen hadden evenmin kerken, en verzamelden op elke geschikte plaats.

Pas veel later zijn uw en onze gebedshuizen luisterrijk, dikwijls luxueus, soms een tikje pompeus geworden.

Ik heb niet voor niets de naam van de apostel van de armen gekozen: geloven in eenvoud is één van mijn persoonlijke zuilen.

Onder het marmer en achter het bladgoud moeten wij de essentie van het geloof blijven zien: dat het orde schept in de chaos en licht brengt in de duisternis.
Niet ver van hier, in het Brusselse Jubelpark, staat de grote moskee van België.

Wist u dat dit gebouw tijdens de Wereldtentoonstelling van 1897 het indrukwekkende panorama  “Caïro en de boorden van de Nijl” huisvestte?

Beeld u in: de gegoede negentiende-eeuwse burgerij, die vanuit het drukke park eerst door een lange donkere gang moest om zich vervolgens, verbaasd, verblind door het binnenvallend licht, aan de oevers van een oriëntaalse stroom te wanen.

Zo moet ook ons geloof van het donker naar het licht leiden. Niet andersom.

Dat uw geloof geen dwaallicht onder de sterren weze maar een mijnlamp in het duister.

Uw moskee geen oord van obscurantisme doch een vrijhaven voor verlichting.

Inch’allah”

Advertenties