Den_Bommel_windmolen_De_Bommelaer_aan_de_dijk[1]Onze enige echte Brusselse stadskrant, bij gebrek aan een nationale pers die  in het echte in plaats van in het dorp Brussel is geïnteresseerd (of is het juist andersom?), wijdde Deze Week een special (edoch geen volledig nummer) aan Nederlanders in Brussel.

Waarom?

Omdat het in 2015 200 jaar geleden is dat de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden werden samengevoegd tot het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Ook is het dit jaar de 20ste verjaardag van het Cultureel Verdrag tussen Nederland en Vlaanderen. Dat wordt een jaar lang uitgebreid gevierd, vandaar een “speciaal BDW-nummer over Nederbrusselaars”, zo luidde het.

brusselnieuws.be

Afgezien van een grappig artikel in de serie “Culinair ontdekt” (op zich al een hele prestatie om culinair en Nederland in één artikel te proppen…….. zonder cynisme, al kon het obligate glas melk bij de kroketten voor buitenlandse gasten niet ontbreken), passeerden onder andere de revue – de (Friese!) EU-stagiaire, de ambassadeur, de hotelmanager, en een heuse dominee!

“En toen kwam er een dominee voorbij”……….

Staande Nederlandse uitdrukking die zoveel betekent als: en toen viel het gesprek stil.

Ik heb geen dominee gezien of gehoord.

Integendeel, het was voor sommige mensen die ik de afgelopen week op allerhande allerlaatste recepties tegenkwam een aanleiding om een gesprek aan te knopen.

Over mijn afwezigheid in de special, want was ik dan geen Nederlander (meer)?
Ik wil iedereen de herhalingen van de non-naturalisatiesoap van enige jaren geleden besparen.

Nee, ik ben geen Belg.
Ja, ik ben nog altijd, en waarschijnlijk tot aan mijn dood (in Frankrijk) Nederlander.
Nu reeds 28 jaar woonachtig in Brussel, en nog lang niet op weg naar een zonnig Frans graf.

Dus, waarom niet ook een artikeltje over de Nederbrusselse politicus?
“Tisdaktnieweet”, om het on-Hollands te stellen.

Enerzijds is mijn politiek ego groot genoeg om het te betreuren, want zoals een journalist mij ooit zei: nieuws is nieuws, of het nu slecht is of goed, als ze maar over je praten.

Anderzijds troost ik mij met de gedachte dat niemand, zelfs een oplettende journalist – en hopelijk is dit een pleonasme – mij nog voor een Nederlander houdt.

Zolang ik mijn mond niet open doe, vanzelfsprekend.
En als zelfs deze typisch Belgische enerzijds-anderzijds-houding mijn kleine frustratie niet weet te temperen, kan ik mij nog psychologisch comfortabel wentelen in een nieuw verworven valse nederigheid.

Geen Nederbelg en zelfs geen Nederbrusselaar.

Gewoon Nederik.

Advertenties