Het Schotse referendum over onafhankelijkheid heb ik met grote belangstelling gevolgd.

Voor een Fries met Vlaamse sympathieën niet verrassend.

Minderheden zitten mij in het bloed, wellicht ter compensatie van het feit dat ik altijd tot de “heersende” klasse heb behoord.

In de hoofdstad van Friesland, Leeuwarden, ben ik, ofschoon kind van twee Friese ouders, opgevoed in het Nederlands.

Niet zo verwonderlijk in die zin dat mijn vader geen Fries sprak maar Leeuwarders of ABN of tussentaal.

Mijn moeder was dan wel een echte Friezin uit een dorp, en haar Nederlands was doorspekt met frisismen, zoals ik later toen ik zelf Fries leerde, besefte.

Het vreemde is dat ik niet meer weet of ze met haar vader, heit, “pake” voor mij (een kleinkind heet in het Fries een “pakesizzer”, “iemand die pake zegt”), Fries sprak in ons bijzijn of tussentaal.
Nadat ik, op eigen initiatief in – godbetert – Groningen mijn diploma Fries haalde omdat ik deze lacune in opvoeding en onderwijs (Fries werd nog niet officieel onderwezen in de jaren ’60-’70) wilde opvullen, heb ik ooit geprobeerd Fries met pake te spreken.

Dat lukte niet want was even kunstmatig als zou ik nu Nederlands met mijn Franse vrouw spreken.

Alhoewel……….
Wel sprak ik Fries in, alweer, Groningen.
De eerste 3 jaren van mijn studententijd woonde ik op een woonboot met drie die-hard-Friezen, diepfriezen zoals de buren spottend zeiden, die ik had ontmoet bij de Friese studentenvereniging Bernlef (blinde Friese bard uit de 8ste eeuw van wie geen werk bewaard is).

http://nl.wikipedia.org/wiki/F.F.J._Bernlef

De boot heette “Noat ut tsjef”, bijbelse taal voor “het koren onder het kaf”, want waren wij dat niet daar in dat verre goddeloze niet-Friese Grins? (Fryslân boppe, Grinslân yn’e groppe)*

Daar leerde ik echt Fries, omdat mijn drie bootgenoten uit verschillende delen van Friesland kwamen en met verschillende accenten spraken.

Het mijne bleef a-sexueel, zodat ook nu echte Friezen mij verwonderd vragen “fan wêr bist do?”, ofte wel: waar liggen je wortels, we kunnen je niet thuis brengen.

Om de link te leggen naar mijn vorige blogje ” De Ronde van Rik”, waarin ik de fiets uitroep tot symbool en metafoor van zowat alles in mijn leven: mijn eerste contacten met de Friese taal werden ook trappergewijs gelegd.

Wonende aan de rand van de stad, wachtte ik ’s morgens de jongens uit de dorpen op die in fietskolonnes naar de middelbare school reden, in weer en wind.

Ik tikte aan en samen reden we de laatste kilometers naar school.

Zo hoorde ik voor het eerst echt plattelandsfries in plaats van het Liwwadders of Leewaddes, het Marollien van Leeuwarden, dat veel jongens van mijn lagere school spraken.

En zo pikte ik woorden en uitdrukkingen op maar vooral humor en sfeer, die jaren later in mijn eerste maanden in de studentenstad Groningen een vruchtbare humus bleken voor mijn Friese coming out.

Geholpen door de lichte spot van de “Hollanders” die ik daar ontmoette en die vonden dat ik “raar” sprak………..

Ik werd Fries omdat ik dat in de ogen en vooral oren van de anderen was.

Ik kwam thuis waar ik nooit had gewoond.

Hetzelfde gevoel overkwam mij in Brussel, waar de Vlamingen mij een Hollander vinden.

En in de Auvergne, waar de Fransen mij “le Belge” noemen.
Zonder naar psychologische verklaringen te willen zoeken – niet dat die er niet zijn….. – denk ik dat een zeker underdog-gevoel mij niet vreemd is.

Het koekoeksjong is mij ook zeer dierbaar als ik naar vergelijkingen in de  natuur zoek.

Alleen kan ik niet weten wat het jong ervaart als hij uit het ei komt in dat vreemde nest en door de andere kuikentjes over de rand wordt geduwd.

Terug naar de veilige warmte van “Noat ut tsjef”, onze klotsende deinende boot op de grens van stad en ommeland.

“Ain Pronkjewail in golden raand is Grönnen, Stad en Ommelaand” zo luidt het in het volkslied in  Gronings dialect.

Niet alleen kwam ik daar in aanraking met de Friese taal maar ook met de “Friese strijd”.

Ik was namelijk beland in een nest van intellectuele opstand tegen de Hollandse overheersers.

Dat vertaalde zich letterlijk in noeste arbeid (met mijn hulp via het Frans) toen een van de jongens, Harke (de naam alleen al is puur exotisme, de anderen heetten Rein en Tseard, en ik domweg Rik, pure negatie van mijn doopnaam Reimer), begon met Asterixvertalingen in het Fries.
Daar bleef het echter niet bij.

Harke en Tseard bleken ook lid te zijn van een soort Friese ETA, de FOKA, ofte wel Fryske Organisaasje foar Kulturele Autonomy.

’s Nachts trokken zij naar buurprovincie Friesland om daar Nederlandstalige plaatsnaamborden over te schilderen.

Harke is ooit veroordeeld tot het betalen van een boete voor beschadiging van staatseigendommen.

Hij weigerde de acceptgirokaart omdat die in het Nederlands was gesteld, en maakte een Friese versie.

Hiervoor gebruikte hij dezelfde techniek als voor zijn stripvertalingen: zorgvuldig krabde hij met een scheermesje de verkeerde letters en woorden weg en verving die door de juiste in het Fries.

De betaling werd natuurlijk niet geaccepteerd en Harke moest brommen.

Totdat een groep sympathisanten de boete betaalde en Harke zich weer aan Asterix de Goljer kon wijden met co-vertaler Jarich.

Via deze dappere FOKA-len werd ik ook ingewijd in het Europa van de regio’s (naar het schijnt160 potentiële natiestaten en maar liefst 540 historische regio’s) lang voordat ik van het Comité van de Regio’s en alle andere Europese instellingen der vermaledijde natiestaten had gehoord.

De mannen trokken namelijk regelmatig naar bijeenkomsten van een soort “regionalistische internationale”: Catalanen, Basken, Bretoenen (toen nog Bretonners geheten), Schotten én natuurlijk Vlamingen.

Het bloed van Harke en Tseard heeft ongetwijfeld sneller gestroomd de afgelopen dagen.

Anekdotisch? Pathetisch? Stupide? Vertederend?

Je kunt er meewarig over doen, maar de FOKA-acties hebben er wel mede voor gezorgd dat de status van het Fries als bestuurlijke en gerechtstaal werd opgewaardeerd.

Al ging dat niet van een leien dakje.

Friesland is inmiddels al vele jaren Fryslân.

Hetgeen niet verhindert dat het Fries er kwalitatief en kwantitatief niet op vooruitgegaan.

Globalisering en “import” doen ook hier hun werk.
Omdat dit een politieke blog heet te zijn, kan een politieke conclusie na al dit nostalgisch gemijmer over mijn verlate(n) regionale jeugd niet uitblijven.

Het feit dat ik cultureel altijd tot de meerderheidstaal sprekende (petite) bourgeoisie heb behoord, maakt mij natuurlijk marxistisch-sociolinguistisch gesproken levenslang ongeschikt om over dit soort gevoelige zaken uitspraken te doen.

“Kunt u Vlaams voelen?”, vroeg een Brusselse Vlaming mij ooit retorisch.

Laat ik het dus houden bij een : ja, ik geloof in een Europa dat meer ruimte geeft aan de regio’s (m.m. stadsgewesten) omdat het zo dichter bij de burger komt te staan, en zijn uitgeholde legitimiteit, die in veel lidstaten gepaard gaat met een afkalvend draagvlak voor de natiestaat, kan opvullen.

Liefst met democratische, progressieve alternatieven die niet voor minder maar voor meer gelijkheid en rechtvaardigheid zorgen.

Die niet uitsluiten maar insluiten.

Het valt niet te uit te sluiten dat het Schotse “Aye” daartoe de deur had kunnen openen.

In zoverre vind ik het spijtig dat het een “Nay” is geworden en dat dit experiment is opgeborgen.

Ook spijtig voor het Europa van de 540 vlaggen.
Ofschoon een referendum een “neverendum” kan worden.

Wordt dus vervolgd?
Ook in Catalonië, Baskenland en Vlaanderen?

*Fryslân boppe = Friesland boven (leve Friesland)

Grinslân yn’e groppe = (provincie) Groningen in de (grup) mestgoot

Advertenties