Op dringend verzoek van enkele collega-vertalers heb ik mij gewaagd aan een oefening in een voor mij volksvreemd idioom.

Genre “Exercices de style” van Raymond Queneau.
http://fr.wikipedia.org/wiki/Exercices_de_style

 

Ge gaat zien wat ge gaat zien!

 

Mag ik de Vlamingen bij deze(n) verzoeken mij twee zaken niet euvel te duiden:

1. “inappropriate language”, omdat er nu eenmaal minder taboes bestaan in een vreemde taal (vraag het mijn vrouw maar……….);

2. fouten in de spreektaaldialogen, omdat het voor “een Hollander” blijkbaar gemakkelijker is de 7 naamvallen van het Tsjechisch onder de knie te krijgen dan de helft ervan in  het conglomeraat van sub-Moerdijkse varianten van het Nederlands die hij in pakweg 25 jaar gehoord en gelezen meent te hebben (errare Frisiae est).

 

Voor de rest: het is voor mijn landgenoten wellicht een uitdaging om het te “vertalen”…….

Wat er ook van zij, ik heb mij goed geamuseerd.

 

Yves’ bokes

 

Als Yves voor twee weken opeens bokes bij had omdat zijn madam op een ander was gegaan, pakte zijn souschef hem koud: “Het zijn mijn zaken niet en ik wil mij niet moeien maar toonde gij eens wat er in uw gamel steekt.

Toch niet terug grijs brood met kipkap zeker?

Gij onnozelaar van u zo te laten doen!

Met alle Chinezen maar niet met den dezen, manneke”.

Yves schokschouderde en gebaarde van krommenaas.

Met een “En gij dacht nochtans dat ge de hoofdvogel had afgeschoten met uw Yvonne”, alludeerde zijn ambetante collega erop dat hij altijd zo gestoefd had, fier als hij was op Yvonne, zijn schoon madam.

“Zal ’t gedaan zijn?” schoot Yves uit zijn krammen.

“Gij zijt goed geplaatst om te zeggen dat ik van een kale reis ben thuisgekomen, klasjkop” sakkerde hij.

“Ik weet het, ze heeft eerst goed met mijn kloten gerammeld en nu lacht ze eens goed met mij.

Maar waar ik het meest het hart van in ben, is dat ze nu met mijn schoonbroer poept, en met die gast kwam ik nochtans goed overeen in de staande-wipvereniging; pintje pakken, stap in de wereld zetten, zwansen, allez gij weet wel…..

Van hoofdvogels afschieten gesproken……..”

 

Genoeg kaakslagen, de grieventrommel was vol.

Hij stond recht, liep naar de kapstok en maakte aanstalten om zijn omgekeerd schaap aan te trekken, als om zijn souschef diets te maken: ik trap het hier af mannekes.

Het is donderdag, ik maak de brug, voor een keer geen blokrijden naar de kust maar op mijn koersfiets door het Pajottenland over de kasseien dokkeren.

 

Ei zo na had hij ook zijn gedacht gezegd tegen zijn souschef, die hem al jaren aan het kloten was met zijn eeuwig gezaag; echt geen plezante typ, maar allez, met een ander als overste zou het misschien geen avance zijn, dus hij poogde het niet aan zijn hart te laten komen en de zaken te arrangeren telkens er ambras was.

Die mouwveger leek er ook geen graten in te zien dat hij nooit van zijn oren maakte.

Waarschijnlijk omdat hij geen plantrekker was en zijn werk ernstig deed.

Nog een paar jaar en hij kon met prepensioen.

 

En hij zag terug zijn koersfiets onder het stof in het duivenkot achter in de hof.

Wraakroepend toch dat hij al die jaren, in plaats van met de mannen over het jaagpad te koersen, als een quasigelukkig koppel voor commissies stond aan te schuiven in Wijnegem.

Om van de solden maar te zwijgen…….

Of tijdens het zomerverlof naar Bokrijk.

De Azurenkust hadden ze nooit gehaald.

Moest er nog zand zijn?

 

Als draadje bij naaldje kwam, was hij eigenlijk veel beter af zonder Yvonne.

Amaai, wat kon die vies en frank zijn.

Zeker met de kameraden van de scouts, de humaniora of zijn legerdienst had ze zich er nooit op toegelegd om graag gezien te worden.

Hoe dikwijls had ze hem niet een pad in de korf gezet tijdens mosselfestijnen of spaghetti-avonden van de vogelpikclub of de liggende wip?

Zijn overgang naar de staande leek eerst goed te pakken, tot zijn schoonbroer, een verdoken franskiljon, zich en stoemelings had laten coöpteren.

Boem, patat, hij was er aan voor de moeite.

Ze hadden hem schabouwelijk liggen terwijl hij dacht op twee oren te kunnen slapen.

En wanneer ze dan putje winter met die gast was gaan lopen  – wat een affront – met een awoert in de vorm van “Ik ben weg, salut en de kost, nu kunt gij finaal uw ding doen“, was hij, sukkelaar, nog gaan blêten ook bij zijn kozijn.

Keigênant.

 

Als hij zijn bokes openplooide om de kipkap te schouwen, schoot hij plots in een Franse koleire en smeet alles door het venster dat de poetsvrouw na het kuisen accidenteel had laten open staan.
“Nomdedomme, miljaar” klonk het vanaf de betalende parking.

Nee, dat was alles behalve hoerenchance dat juist zijn chef toekwam, de deur naar de inkom opentrok en de ganse kipkap met smos en al op zijn klakske kreeg.

Zo’n malheur kon enkel hem, Yves, te beurt vallen.

 

Het was maar evident dat hem niets anders restte dan zijn fardekes te pakken en met zijn klikken en klakken zijn C4 te gaan halen.

Niet vergeten te punten!

Moest de koersfiets nu hier in zijn bureel hebben gestaan, hij was er rap op gesprongen.

En er vanonder gemuisd.

Zijn schop in regel afgekuist.

En alle chefs en souschefs van de ganse administratie hadden zijn kloten kunnen kussen.

Hij was geen BV dus het zou ’s anderendaags toch wel niet in de boekskes komen.

Hoogstens op het discussieforum van zijn dienst.

 

Hadden ze weer iets om over te klappen, al die malcontenten, kloefekappers, façadeklasjers en schieve lavabo’s die alleen maar hun pree (zonder dertiende maand, zonder deel twee van de belastingbrief, zonder bedrijfswagen, ocharme) zaten te trekken.

Met een welgemeend “ik ben weg” sprong hij zijn bokes achterna.

Advertenties