Na enkele maanden ben ik redelijk “ingeschepend” in Etterbeek.

Voel me beter in staat te beoordelen wat het inhoudt en vooral of het me ligt.

Eerste voorlopige balans: het houdt veel in en het ligt me zeer.

Een combinatie van twee zaken die mij tot grote schrijflust zou kunnen aanzetten.

Ware het niet dat er zich veel afspeelt onder de waterlijn van het schip, en dus niet voor publicatie vatbaar is, dat het schip soms te veel beweegt voor een stabiele schrijfhouding en vooral dat ik gewoon geen tijd heb.

Want als ik niet op de brug sta van mijn “plateau”, mijn dienst met aan bakboord de “techniekers” en aan stuurboord de “administratieven”, ben ik aan wal, zijnde de andere kant van het Jourdanplein.

Ofschoon ik er niet tussenin val, want redelijk complementair qua tijdsinvulling, blijven er weinig reële tijd en mentale afstand over voor contemplatie.

Tussen wal (EU) en schip (Ett), tussen CisJourdanie en OutreJourdanie (deze en gene zijde van het Jourdanplein)………

Het is een boeiend spanningsveld tussen geld verdienen en geld verliezen, tussen solitair vertalen en solidair bouwen.

En dat laatste mag figuurlijk én letterlijk worden genomen.

In het schepencollege worden wij geacht elke donderdagochtend samen aan Etterbeek te bouwen onder de bezielende leiding van de burgemeester.
In mijn dienst horen techniekers en administratieven samen aan onze scholen, onze straten, onze trottoirs en onze parken te werken, onder de bezielende leiding van hun schepen.

Onbekende talenten als manager, psycholoog, motivator moeten nu worden aangeboord.

Doch niet te veel, want het politieke en het uitvoerende niveau moeten elkaar niet voor de voeten lopen.
In dezelfde richting, elk in zijn eigen tempo, dat wel.

De twee met elkaar doen sporen, zonder dat de een de ander te veel ophoudt of juist opjut, en uiteindelijk toch op hetzelfde punt uitkomen, dat is mijn grote uitdaging.

Niet meer in tijdspannes van gemeenteraden (maanden) of verkiezingen (zes jaar) denken, maar in weken (schepencolleges) en dagen (lopende, springende en dringende zaken).

En dat combineren met de ondraaglijke traagheid van de Europese kalender………..

 

Wat is het dan heerlijk concreet om een lekkend dak van een school in ogenschouw te nemen, afbladderend verf van “une corniche”, een scheve trap, een gaslek, een verzakkend trottoir, een kapotte verwarmingsketel, een rammelende schoolbus……………..

 

Van waar komt die liefde voor het concrete, het tastbare, de schrijnwerker, de wegwerker, de dakwerker, de groenwerker, hij (zij?) die “iets met zijn handen doet”, de stielman (meestal van dat geslacht, sorry)?

Is het enkel de groeiende afkeer van mijn eigen intellectuele, doch verschralende hoofdarbeid.
De fascinatie voor handwerk was van kindsbeen al aanwezig.

Ergens spelen de genen op: mijn vader was de enige “intellectueel” in de familie Jellema.
“Anne heeft een goed verstand, hij moet doorleren.”

Dorpschoolmeester, stadsschoolmeester, hoofdhoofdstadsmeester, leraar, adjunctdirecteur,  directeur…………… en – ook hij had een dubbelbaan – ’s zondags lekenpredikant.

De broers namen het familiebouwbedrijf over van Opa Jellema, een timmerman die zich had opgewerkt tot een in Leeuwarden en omstreken gerespecteerde aannemer.

Voor Rikkie mooie momenten in “de werkplaats” van het bedrijf, houtgeur, zaagsel, zelf mogen knutselen.

En het bloed heeft een rare omweg gemaakt om toch te kruipen waar het niet mocht, kon, wilde gaan.

Meer dan één omweg.

De twee enige Jellema’s die de naam voortzetten, mijn twee zonen, zijn respectievelijk schrijnwerker en architect geworden.

En hun vader, de romanist, vertaler, politicus, “heeft Openbare Werken”.

 

Opa Jellema zou trots zijn op zijn achterkleinkinderen.

Niet minder op zijn kleinzoon, hoop ik toch.

 

Een goed verstand en goede handen zijn niet tegenstrijdig.

Het zijn riemen waarmee het goed roeien is.

Beter blaren op je handen dan op je ziel.

 

Of zoals mijn tante mij na zijn dood toevertrouwde: je vader had een goed verstand, maar toen hij begon over het verschil tussen het wezen van het zijn en het zijn van het wezen, dachten we toch “Anne, nou mutte jou ophouwe”.

Advertenties