Laat mij vooraf twee zaken duidelijk stellen: goed ijs is niet wit maar zwart, en Bart De Wever is niet zwart maar wit.

In schaatsen ben ik een laatbloeier, en zelfs dat bloeien is nog relatief.

De Wever is in zijn niche wel een natuurtalent en een topsporter, zonder ironie mijnerzijds.
Bart en natuurijs hebben dus niets met elkaar te maken, en toch wil ik ze linken in dit stukje.

Omdat de aangroei van het ijs in Friesland – inmiddels helaas al weer achter de rug – mij heeft geconfronteerd met een donker kantje in mij.

In, niet aan, want nauwelijks zichtbaar.

Het komt hoogstens even naar buiten piepen als de Fries in mij ontdooit.

En dat is meestal bij vriesweer.

Door een “Hollandse” al veel langer dan ik in het Brusselse woonachtige werd ik erop gewezen dat mijn uitspraken over “Hollanders” die “onze” Elfstedentocht wilden inlijven, haar sterk aan Bart De Wever deden denken, en ik zal niet trachten het gezicht te beschrijven dat zij daar bij trok.

Een overjarige curryworst bij Frituur Het Draakje moet ongeveer hetzelfde effect op Barts nobele trekken hebben.

 

Het was natuurlijk niet meer dan het traditionele gehakketak tussen twee landgenoten die voor de Belgen allebei Hollanders zijn, terwijl voor ons Friezen Hollanders alleen Randstedelingen met het foute accent en te luide stemmen zijn.

En toch zette het mij aan het denken.

Vooral na een weekendje schaatsen in Friesland én Groningen, twee provincies die niet tot Holland behoren ………… en ook traditioneel elkaar verketteren.

Fryslân boppe, Grinslân yn ‘e groppe!

Van beide schaatstochten die ik reed, heb ik evenveel genoten, en toch was er in ‘it Heitelân’ een ‘je ne sais quoi’ dat mij tot in mijn vezels raakte.
In feite is het een ‘je sais verdomde goed wat’ het is: de taal, het landschap, de mensen, hun humor.

Al zo lang ‘ut fan hús’ besef je vaak niet hoe diep dergelijke zaken zitten, en hoe ze je getekend hebben.

Zelf geen memmetaalspreker van huis uit – ik heb het Fries als vreemde taal geleerd – en altijd in de meest on-Friese stad gewoond die er is, Leeuwarden – hoofdstad van, maar Brussel is per slot van rekening ook hoofdstad van Vlaanderen – zou je denken dat deze invloeden langs mij zijn afgegleden als water langs een eend.

Dus niet.

En met het “ouder” worden raken ze me dieper: een Fries lied, een lage horizon, een Friese achternaam, een koel understatement uit zo’n mond………..

Het is van mij want van ons.

 

De ware wereldburger zegt dat mensen geen wortels hebben maar benen.

Om van hot naar her te rennen en zich overal thuis te voelen.

Dat klopt.

En toch: every man needs a place he can call home.

Geen idee van wie het citaat is, maar het zou van Bart De Wever kunnen zijn.

En ik onderschrijf het ten volle.
Alleen zijn het er bij mij wel drie: Fryslân, waar ik niet meer zou willen wonen; Brussel, waar ik voorlopig gelukkig woon; de Auvergne, waar ik het laatste deel van de triptiek wil schilderen.

Het is dan ook meer een romantisch gevoel van verleden-heden-toekomst, een filosofisch “d’où venons-nous, que sommes-nous, où allons-nous?” dan een politiek manifest.

Maar Bartje heeft wel een punt.

Alleen biedt “De Gemeenschap” in de global village eerder nostalgische nestwarmte dan voldoende basis voor een solide toekomstgericht project dat het dorp wapent tegen de voortrollende globe.