Merkel en Sarkozy hebben beslist: geprivilegieerde relatie OUI, lidmaatschap NEIN.

In hun Europese campagne maken zij er voor een christendemocratisch publiek geen probleem van om een gegeven woord te breken.

Niet het hunne, want zeker van Sarko is al lang bekend hoe hij over de Turkse toetreding denkt.

Wel dat van Europa.

Of zoals Bart Staes het op zijn blog zegt: “De EU houdt zich aan de belofte dat Turkije (….) (mag) toetreden mits (het) aan alle toetredingsvoorwaarden (voldoet). Zij legt geen extra eisen op, maar beloont hervormingsstappen met tastbare voordelen, zoals soepeler visumverlening.” Natuurlijk moet de EU niet dezelfde fout begaan als bij de vorige toetredingen.

Met name Bulgarije en Roemenië zijn in 2007 om politieke redenen te snel binnengehaald.

Terwijl iedereen die de evaluatieverslagen had gelezen, wist dat ze nog lang niet klaar waren.

De onderhandelingen met Turkije zullen dusdanig gecompliceerd zijn dat van overhaasting geen sprake is.

En zeker op het stuk van de mensenrechten, een van de hoekstenen van de Unie, mogen we geen duimbreed wijken.

De onderhandelingen zijn trouwens al gestart in oktober 2005 en zullen nog wel een jaar of 10 aanslepen.

Tenzij Turkije, boos over de houding van bijv. Frankrijk en Duitsland en trots als het land is, de eer aan zichzelf houdt en zich definitief afkeert van Europa.

Dit zou geen goede zaak zijn.

De toetreding van Turkije is, zoals Bart het zegt, een belangrijke oefening in crisisbeheersing.

Dit is een andere motivatie dan die van Obama, die de Unie opriep om Turkije snel toe te laten……… als trouw NAVO-lid.

Over de relatie van de EU met de haar omringende wereld is de laatste tijd wel meer te doen.

En niet toevallig komt ook daar het woord “uitbreiding” om de hoek kijken, of wordt het juist angstvallig vermeden.

Zo is er de discussie over het zogenaamde “oostelijk partnerschap” (mag om politieke redenen – nog niet – met hoofdletters worden geschreven).

Het betreft een partnerschap met Oekraïne, Georgië, Azerbeidzjan, Armenië, Moldavië en zelfs het dictatoriale Wit-Rusland (hoe zat dat ook weer met die mensenrechten?), dat eigenlijk ter vervanging komt van een volwaardig lidmaatschap, al zien deze voormalige Sovjetrepublieken zich wel graag in de wachtkamer van de EU zitten.

Momenteel vloeit tweederde van het Europese budget voor de betrekkingen met de buurlanden naar het Middellandse Zeegebied, een prioritaire regio voor Frankrijk en andere zuidelijke lidstaten. Met het oostelijke partnerschap wil het Tsjechische EU-voorzitterschap het beleid enigszins oostwaarts heroriënteren

‘Het conflict in Georgië en de recente gascrisis met Rusland en Oekraïne hebben aangetoond dat er goede argumenten bestaan om onze aanwezigheid in de regio op te trekken’, zo verklaarde eurocommissaris voor Externe Betrekkingen Ferrero-Waldner eind februari.

Geopolitieke en economische belangen sturen dus ons extern beleid.

Frankrijk kijkt dan weer vooral naar het zuiden.

De Unie voor de Middellandse Zee is een project van de Franse president Nicolas Sarkozy en wordt daarom ook wel smalend zijn ‘Club Med’ genoemd. Sarkozy wil ook Europese landen die geen deel uitmaken van de EU bij de samenwerking betrekken, net als alle landen ten oosten van de Middellandse Zee.

Ook deze club zou een alternatief voor een volwaardig lidmaatschap voor Turkije kunnen betekenen.

Het getouwtrek om aandacht en euro’s voor verschillende clubjes, afhankelijk van het halfjaarlijks voorzitterschap, maakt nogmaals pijnlijk duidelijk dat de politieke prioriteiten van de EU beter niet afhangt van de nationaliteit van de voorzitter.

Een Europese minister van buitenlandse zaken die een coherent beleid uitstippelt en uitdraagt was een winstpunt van het Grondwettelijk Verdrag.

Dat is echter in 2005 afgeschoten door het Franse en het Nederlandse referendum.
In het minder vergaande Verdrag van Lissabon, dat nu enkel nog aan een tweede Ierse referendum moet worden onderworpen, wordt het ambt van Hoge Vertegenwoordiger voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid samengevoegd met de post van Europees commissaris voor Buitenlandse Betrekkingen. De nieuwe Hoge Vertegenwoordiger zal de Raad van de Europese Unie voorzitten wanneer de nationale Ministers van Buitenlandse Zaken erin zetelen.

Nadat enkele lidstaten zich hadden uitgesproken tegen een dergelijke Europese topfunctie, die hun nationaal buitenlands beleid zou kunnen verzwakken, werd een verklaring toegevoegd waarin wordt gesteld dat de Hoge Vertegenwoordiger op geen enkele manier de soevereiniteit van de lidstaten mag ondermijnen.

Dus zelfs na eventuele goedkeuring van het Verdrag van Lissabon staat het de lidstaten nog altijd vrij bepaalde landen in hun eigen clubjes op te nemen.

Of er uit te weren….

Van de Europese Unie daarentegen mogen we enige rechtlijnigheid verwachten.