Vervolg op Jellema in EP?

Na de Raad, beantwoordde ook de Commissie een schriftelijke vraag van Bart Staes ivm met de weigering van België om Jellema de Belgische nationaliteit toe te kennen.

SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1031/09
van Bart Staes (Verts/ALE)
aan de Commissie

Betreft: België beschouwt EU-ambtenaren als “diplomaten op zending” en weigert op basis daarvan naturalisatie

Onlangs diende een Nederlands staatsburger, sinds decennia ononderbroken woonachtig, werkzaam en actief in België en ambtenaar bij de Raad van Ministers, een aanvraag in bij de Belgische autoriteiten tot het verkrijgen van de Belgische nationaliteit. Betrokkene is actief in het plaatselijke verenigingsleven, is gemeenteraadslid sinds 2000 en is zelfs de voorzitter van de gewestelijke afdeling van een politieke partij. Betrokkene is dus volstrekt ingeburgerd.

De Belgische autoriteiten weigerden het verzoek tot naturalisatie van betrokkene ernstig in overweging te nemen omdat ze EU-ambtenaren vergelijken met “diplomaten op zending”. Hierdoor komen ze, aldus de Belgische autoriteiten, niet in aanmerking voor naturalisatie omdat hun verblijf in België beperkt zou zijn “tot de duur van de zending”.

Is dit volgens de Commissie de juiste interpretatie van het begrip EU-ambtenaar?

Is de Commissie van oordeel dat een EU-ambtenaar gelijk kan gesteld worden met een persoon die de diplomatenstatus draagt?

Deelt de Commissie de mening van de Belgische overheid dat Europese ambtenaren om die reden niet in aanmerking komen voor naturalisatie?

E-1031/09NL
Antwoord van de heer Barrot
namens de Commissie
(15.4.2009)
In de aan het Verdrag van Maastricht gehechte verklaring nr. 2 “betreffende de nationaliteit van een lidstaat” wordt gesteld dat de vraag of een persoon de nationaliteit van deze of gene lidstaat bezit, uitsluitend wordt geregeld door verwijzing naar het nationale recht van de betrokken staat. In zijn arrest van 7 juli 1992 in zaak C-369/90 (Micheletti e.a., Jurispr. 1990, blz. I 4239) heeft het Hof van Justitie voor recht verklaard dat het bepalen van de voorwaarden voor de verkrijging en het verlies van de nationaliteit overeenkomstig het internationale recht behoort tot de bevoegdheid van elke lidstaat – een bevoegdheid die moet worden uitgeoefend met inachtneming van het gemeenschapsrecht.

Wat meer in het bijzonder de gemeenschapsambtenaren betreft, dient allereerst te worden opgemerkt dat de Commissie het dossier van deze voor de Raad werkende ambtenaar niet in detail kent. In het algemeen moet worden vastgesteld dat de ambtenaren geen diplomatieke status hebben. De status van de ambtenaren wordt geregeld door een specifiek protocol, het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen van 8 april 1965 (hierna “PVI” genoemd), dat door alle lidstaten is goedgekeurd en deel uitmaakt van het primaire gemeenschapsrecht. Overeenkomstig artikel 12, onder b), van dit protocol zijn de ambtenaren en andere personeelsleden vrijgesteld van immigratiebeperkingen en vreemdelingenregistratie. Het vraagstuk van de naturalisatie daarentegen komt nergens aan de orde in het PVI.

De Commissie heeft niet de gewoonte zich uit te spreken over vraagstukken of beslissingen die tot de exclusieve bevoegdheid van de autoriteiten van een lidstaat behoren.