overgenomen van De Standaard online

vrijdag 08 juni 2001
BRUSSEL — De Nederlander Rik Jellema krijgt soms het verwijt ‘flamingant’ te zijn. Als gemeenteraadslid in Etterbeek is de Vlaamse taalstrijd ook zijn strijd geworden: hij werd vorig jaar als Nederlandstalige Europeaan verkozen op de groene lijst.
,,Ik ben aan de verkiezingen begonnen met een dubbele handicap: ik ben Nederlander én ik werk voor de Europese Unie. Euroambtenaren hebben een slecht imago in Brussel, omdat ze zich zogezegd niet integreren. De vooroordelen tegenover de Nederlanders moet ik u niet uitleggen.Toch heb ik voor de politiek gekozen. Dat gebeurde door mijn engagement in de Fietsersbond. Als Agalev-militant kon ik vorig jaar voor de eerste keer op een lijst staan. Onderdanen van alle EU-lidstaten konden bij de jongste gemeenteraadsverkiezingen niet alleen kiezen, maar ook verkozen worden.”

— In de gemeenteraad laat u zich opmerken als voorvechter van de Nederlandstaligen in Brussel.

Naast mobiliteit en stedenbouw ben ik inderdaad vooral bezig met de positie van de Nederlandssprekenden in mijn gemeente. Veel Vlamingen zijn verrast over mijn inzet voor het Nederlands. Sommige Franstaligen verwijten mij dat ik flamingant ben.

Ik denk dat mijn inzet voortkomt uit mijn Friese afkomst. In eigen land behoorde ik tot een minderheid. Daarom neem ik het ook hier op voor de minderheid, de Nederlandstaligen.

— Welke taal wordt er gesproken in de gemeenteraad?

De afspraak is dat iedereen zijn eigen taal spreekt. Principieel spreek ik altijd Nederlands. Alleen als ik zie dat sommigen het helemaal niet snappen, geef ik een samenvatting in het Frans. De Franstaligen zeggen mij wel dat ik moeilijker te begrijpen ben dan mijn Vlaamse collega’s. Ik antwoord dan dat ze zes jaar tijd hebben om eraan te wennen.

— Hoe groot was de politieke cultuurschok als Nederlander?

De anderen zijn in het begin meer geschrokken van mij, dan ik van hen. Ik heb als Nederlander de gewoonte de dingen te zeggen zoals ze zijn, er geen doekjes om te winden.

De Nederlanstalige politici in Brussel trekken gewoonlijk aan één zeel. Een houding van ‘we zijn al met zo weinig, we moeten samenspannen’. Ik was tijdens de verkiezingscampagne bijvoorbeeld de enige die echt het debat aanging met de andere Nederlandstalige politici. Nu komt mijn houding wel goed van pas, want we zitten met de groenen in de oppositie.

— Welke Belgische politieke gewoonten moest u zich eigen maken?

Dat hier geen debatcultuur heerst zoals in Nederland, wist ik al. Maar ik ben er toch van geschrokken hoe weinig wordt beslist in de gemeenteraad. De commissies en de contacten buiten de politiek zijn hier zo belangrijk.

Boeiend vind ik de contacten met de kiezers. De bereikbaarheid van de politici is hier zoveel groter. De eerste keer dat iemand mij aansprak en zei dat hij voor mij had gestemd, vond ik fantastisch. Dat soort contacten zijn er niet in Nederland.