Bekende mensen, of de overtreffende trap daarvan, bekende politici, wordt in diepte-interviews niet alleen gevraagd naar hun grootste kwaliteit en dito gebrek, en naar hun favoriete boek, kleur, reisbestemming, hetgeen meestal weinig diepgravende inzichten oplevert.
Ook wie zij hadden willen zijn in een ander leven behoort tot de canon van vragen in de Proustiaanse lijstjes.
In de Franstalige wereld beter bekend als le Questionnaire de Marcel Proust: [lees hier]

Welnu, op vraag 20 “wie zijn uw helden in het leven?” (in tegenstelling tot de literaire helden) zou ik antwoorden: Vaclav Havel.
Al moet ik sinds vandaag zeggen: dode helden.

Wie al eens wat door mijn blog is gefietst, kent mijn liefde voor literatuur, voor politiek én voor de Tsjechische Republiek.
Laat nu alles verenigd zijn in één figuur, de dit weekend overleden 1e president van Tsjechië na de fluwelen revolutie en de afsplitsing van Slowakije.
Ook zonder die bijzondere mix van drie ingrediënten zou hij al boeiend genoeg zijn om hem tot “held” te verheffen.
Of is hij een held “malgré lui”, door omstandigheden gedwongen tot oppositie en vervolgens het hoogste ambt?

Toneelschrijver, dissident, gevangene, president, quel parcours extraordinaire pour un seul homme.

Ik moet eerlijk toegeven dat ik nog niet veel van hem heb gelezen, behalve de vrij saaie brieven uit de gevangenis en een paar moraliserende politieke geschriften.
Trouwens, veel Tsjechen waren hem tijdens zijn tweede mandaat beu omdat hij ze er steeds op wees dat consumeren binnen hun herwonnen kapitalistische vrijheid niet zaligmakend was, en dat er ook nog normen en waarden in het leven zijn, terwijl zij alleen maar “vrij” wilden zijn om lekker post-communistisch te shoppen.
Dat calvinistische trekje maakt hem niet minder sympathiek……

En verder: ik heb ooit rond 1990 nog een gedicht geschreven over Praag (Praha) nadat ik verliefd was geworden op de stad (en een vrouw….) en mij inbeeldde hoe Havel ons vanuit zijn Hrad (burcht op de berg) over de Karluv Most zag lopen.
Een van mijn beste gedichten, al zeg ik het zelf.
En in de gemeenteraad begon ik ooit een interventie over de “tijd in de politiek” met een lang citaat van Havel in het Tsjechisch, dat ik vervolgens in het Frans vertaalde, tot woede van de burgemeester die mij erop wees dat er slechts twee officiële talen zijn toegelaten in de gemeenteraad.
Dus ook een beetje dissident, al heeft het nog geen vijf jaar gevangenis opgeleverd.

Op mijn netvlies gebrand staan vooral de beelden vlak na Havels vrijlating, terwijl de Praagse burgers met hun sleutelbossen rammelen en “Havel na Hrad” (Havel naar de burcht) scanderen.
Naast hem die andere tragische Tsjechische held, maar dan uit mijn jeugd (1968), Alexander Dubcek, die later in mysterieuze omstandigheden om het leven kwam.
De geschiedenis van een land in één beeld.

Tot slot nog één persoonlijke herinnering aan Havel.
De eerste keer dat ik een cursus Tsjechisch deed in Praag ontmoette ik hem ‘s avonds in een klein underground-café in de arbeiderswijk Zizkov, in dezelfde straat waar ik een appartementje huurde; de cafébaas van “u dvo hrabalu” (in de twee uilen), was net als hij, een Frank Zappa-fan.
Ik vroeg hem in mijn beste Tsjechisch of ik een foto van hem mocht maken, en hij poseerde vriendelijk voordat hij door zijn lijfwachten naar zijn limousine (een Tatra hoop ik) werd weggevoerd.
De volgende dag in de Tsjechische les geloofde niemand mij.
Dus ook een beetje een romancier, al heeft het nog geen boek opgeleverd.

Havle, dekuje mnohokrat a dobrou cestu!
[lees hier op deredactie.be]

—-

naschrift

Als je ouder wordt, komen de herinneringen wat trager bovenborrelen als uit een oerbron (prazdroi):

Wat had ik in 1968 als jongetje van 11 met die verre communist met een menselijk gezicht, Alexander Dubcek?
De Russen waren net Tsjecho-Slowakije binnengevallen en midden in de Koude Oorlog werd ze dat niet in dank afgenomen door de christelijke Nederlanders die in de jaren ’50 massaal de gevluchte Hongaren hadden opgevangen.
.
Mijn vader was een ex-christendemocraat met socialistische sympathieën, maar voor het communisme had hij geen sympathie.

Op de lagere school “met den bijbel” werd evenwel niet aan politiek gedaan.
Toen de hele (??) zesde klas op mijn instigatie briefjes met “Russen uit Tsjecho-Slowakije” op hun bank had gelegd, ontstak de Hoofdmeester – een autoritaire man die bij de geschiedenisles altijd vertelde hoe hij heldhaftig de Duitsers de verkeerde kant had opgestuurd – in een bijbelse toorn.
De briefjes moesten als de wiedeweerga weg, want anders zwaaide er wat.
Dit was dus mijn eerste dissidente stap.

Ironisch genoeg kreeg ik later op de middelbare school, als ik in de geschiedenisles de pro-Amerikaanse leraar op de rol van de VS in Vietnam wees, steevast te horen: “Als de Russen komen, staat Jellema met een rood vlaggetje te zwaaien”.

In de Koude Oorlog was het zaak aan de goede kant te staan.